Navigatie overslaan

Deze website maakt gebruik van cookies voor een optimale gebruikersbeleving.

Lees onze cookieverklaring

Alles leuk en aardig

Binnenkort bezoek je met je klas de voorstelling Alles leuk en aardig. Wij hebben bij deze voorstelling een educatief programma ontwikkeld. Dit programma bestaat uit opdrachten die je als leerkracht zelf met je klas kunt uitvoeren. Op deze pagina vind je meer informatie over de mogelijkheden rondom deze specifieke voorstelling. Alles leuk en aardig is een productie van Malou van Sluis Producties in coproductie met Vanaf2 Producties en Garage TDI.

Voorbereiding

Uit onze ervaring is gebleken dat kinderen gerichter naar een voorstelling gaan kijken als zij zich op de één of andere manier hierop voorbereiden. Een eerste stap om de voorstelling te introduceren is een gesprek. Voor sommige leerlingen is het theater een nieuw begrip. Het is daarom fijn om eerst met de kinderen een gesprek te hebben over wat theater is en wat er van je verwacht wordt als je naar een theatervoorstelling gaat. Daarna kun je het hebben over de voorstelling zelf en de thema’s daarvan. Hieronder vind je enkele opdrachten die je zelf kunt doen met je klas.

Alles leuk en aardig gaat over elkaar beetnemen. Over stiekeme trucjes, elkaar uitdagen, grenzen verkennen en over ‘genoeg is genoeg’. Geintjes uithalen bij degene die je liefhebt, is misschien wel het allerleukste. Maar wat nou als iemand je grapje niet zo leuk vindt?

Alles leuk en aardig is een vrolijke, aanstekelijke voorstelling over vriendschap voor iedereen die van een beetje (on)gein houdt. Geïnspireerd door het boek Driehoek van Mac Barnett & Jon Klassen neemt Malou van Sluis de humor van jonge kinderen onder de loep.

WAT HEB JE NODIG?

Het boek ‘Driehoek’ van Mac Barnett en Jon Klassen.

IN DE KLAS

Ter voorbereiding van de voorstelling is het fijn om het boek ‘Driehoek’ voor te lezen en samen de prenten te bekijken in het boek. Op deze manier raken de kinderen vertrouwd met de thematiek uit de voorstelling en kunnen ze zich beter identificeren met het verhaal en de personages.

WAT VOOR VORMEN KEN JIJ?

Probeer met de klas eens zoveel mogelijk verschillende vormen op te noemen. Laat de kinderen daarna de vormen eens tekenen op het digiboard. En kunnen de kinderen de vormen ook uitbeelden met hun lichaam of met elkaar?

Op 1 april is het de dag dat iedereen elkaar plaagt en grapjes uithaalt. Door bijvoorbeeld een portemonnee aan een draadje te hangen en dan net voordat de andere de portemonnee pakt trek je de portemonnee weg. In de voorstelling worden er ook grapjes uitgehaald tussen de twee figuren uit het verhaal. Maar niet iedereen vindt dezelfde grappen leuk.

In deze opdracht ga je met de kinderen dit verschil in het lokaal duidelijk maken.

WAT HEB JE NODIG?

Tape voor op de vloer.

VOORBEREIDING

Plak met tape een lijn op de vloer, zodat er twee helften ontstaan.

AAN DE SLAG

Wanneer vind jij iets wel leuk en wanneer niet? Als leerkracht noem je verschillende manieren om met iemand een grap uit te halen. De kinderen mogen kiezen of ze de genoemde grap wel of niet grappig vinden door een kant te kiezen. Links van de lijn is wel grappig, rechts is niet grappig. Kinderen die twijfelen kunnen op de lijn gaan staan.

Voorbeelden van grappen zijn:

  • Een familielid van je heeft jouw veters van beide schoenen aan elkaar gestrikt en jij moet snel weg naar school.
  • Een vriend van je heeft een scheetkussen op je stoel gelegd en jij gaat op dat scheetkussen zitten.
  • Met een paar vriendjes heb je bedacht om zout te doen in de koffie van de meester of juf in plaats van suiker.
  • Iemand heeft de batterijen uit de afstandsbediening gehaald waardoor het niet lukt om televisie te kijken.
  • Er is een invaljuf op school en jullie ruilen allemaal van naam.
  • Je ligt in bed en jouw broertje of zusje maakt je wakker met een harde toeter.
  • Jij loopt door de klas en iemand laat je struikelen.
  • Je beste vriend is heel erg bang voor spinnen en jij stopt een nepspin in zijn tas.
  • Jij bent een spelletje aan het doen op je tablet en jouw vader verstopt de tablet als jij even naar de wc bent.
  • Juf doet alsof jullie allemaal onzichtbaar zijn en jullie niet kan zien of horen.
  • Jullie zijn op schoolreisje geweest en verstoppen jullie onder de stoelen van de bus zodat jullie vader of moeder jullie niet zien als jullie terugkomen.
  • Iemand tekent een bril met stift op je gezicht terwijl je ligt te slapen.

Na elke vraag zou je aan een paar kinderen kunnen vragen waarom ze aan die kant zijn gaan staan. Misschien lukt het zelfs om de vraag te beantwoorden waarom de een iets wel grappig vindt en de ander niet.

Na afloop

Wanneer jij en je leerlingen terug zijn in de klas, is het raadzaam om de kinderen onderling indrukken te laten uitwisselen en de thema’s die in de voorstelling worden aangesneden te vertalen naar hun eigen ervaring. Hieronder vind je enkele opdrachten die je zelf met de klas kunt doen.

Na afloop van de voorstelling is het goed om met de groep na te praten over de voorstelling in het eigen klaslokaal. Het is voor jou als leerkracht interessant om erachter te komen wat leerlingen is opgevallen tijdens de voorstelling en hoe over de thema’s uit de voorstelling wordt gedacht.

Tijdens dit gesprek is er geen goed of fout antwoord, want elk kind heeft een andere beleving gehad tijdens het voorstellingsbezoek.

Voor de jongste kinderen kan het lastig zijn om hun gevoelens of ervaringen te beschrijven, toch kan je ook met deze kinderen een kort gesprek voeren over de voorstelling.

Hieronder staan een aantal vragen beschreven die je zou kunnen stellen aan de groep.

  • Wat heb je gezien?
  • Wat heb je gehoord?
  • Over wie ging de voorstelling?
  • Wat vond jij het spannendste of grappigste moment?

Daarnaast kan je het ook met de groep over de thema’s uit de voorstelling hebben.

  • Wie is jouw vriend? En wat doen jullie samen?
  • Wat is het verschil tussen plagen en pesten?
  • Wanneer weet je of het een grapje is of dat je gepest wordt?
  • Plaag jij wel eens iemand en wat doe jij dan precies?
  • Wie plaag je het liefst?
  • Word jij wel eens geplaagd? Hoe dan?
  • Hoe zorg je ervoor dat iemand stopt met plagen als je het niet meer leuk vindt?
  • Waar voel je het als iemand een grapje met je uithaalt?
  • Hoe voel je je als je een grap bij iemand gaat uithalen?
  • Wat voel je als iemand een grap met je uithaalt?
  • En hoe voelt het om geplaagd te worden?
  • Wat is de beste grap die jij eens met iemand hebt uitgehaald?

Ook kan je inhoudelijke vragen stellen over de voorstelling.

  • Wat voor grapjes werden er uitgehaald in de voorstelling?
  • Hoe voelden de twee figuren zich aan het begin van de voorstelling en hoe aan het eind? En hoe weet je dat?
  • Hoe zou jij het figuur met de muziekinstrumenten kunnen helpen toen ze werd geplaagd door het andere figuur?

Het kan zijn dat kinderen het lastig vinden om hun ervaringen te verwoorden. Een voorstelling communiceert vaak op een heel ander niveau met kinderen dan in de dagelijkse praktijk. Daarom is het soms fijn om andere vormen in te zetten om de voorstelling met kinderen te verwerken. Daar kunnen de doe-opdrachten in deze lesbrief bij helpen.

Maak met kinderen een eigen muziekinstrument. Het leukste is om bij deze opdracht zoveel mogelijk verschillende vullingen te gebruiken in het instrument. Denk hierbij aan: rijst, pasta, kralen, zand, kleine steentjes of ander materiaal wat gemakkelijk heen en weer beweegt in een koker.

WAT HEB JE NODIG?

  • Wc-rollen of plastic buisjes
  • Een pak rijst
  • Pasta
  • Kralen
  • Steentjes
  • Elastiekjes
  • Lijm
  • Tape
  • Water
  • Papier
  • Folie

AAN DE SLAG

STAP 1. Kies een voorwerp dat als basis gaat dienen voor je instrument, zoals een wc-rol of een plastic buisje.

STAP 2. Kies een vulling die het geluid gaat maken.

STAP 3. Pak een stuk papier, folie of iets anders dat ervoor zorgt dat de vulling niet uit het instrument valt. En leg dat over een helft van het voorwerp.

STAP 4. Sluit die helft van het voorwerp af met tape, elastiekjes of lijm.

STAP 5. Stop de vulling in het voorwerp.

STAP 6. Leg een nieuw stuk papier, folie of iets anders over de tweede helft van het voorwerp.

STAP 7. Sluit de andere kant van het voorwerp ook af.

STAP 8. Je bent klaar om muziek te gaan maken!

ONTDEKKEN

De leerlingen hebben nu hun eigen muziekinstrument gemaakt, maar wat is er allemaal mogelijk met hun unieke instrument? Dat mogen de leerlingen nu zelf uit gaan proberen aan de hand van onderstaande vragen.

1. Schud maar eens met je instrument, wat hoor je dan?

2. Wat voor verschillende geluiden kan je met je eigen muziekinstrument maken?

3. Hoe klinkt jouw muziekinstrument samen met de andere muziekinstrumenten samen? Luister goed naar het instrument van een ander en maak daarna weer geluid met jouw eigen instrument.

4. Kan jij samen met een andere leerling muziek maken? En hoe gaat dat als je met een groepje muziek moet maken?

5. Lukt het om met jouw instrument mee te spelen op muziek uit de voorstelling?

SPELEN

In de voorstelling worden bewegingen vaak gecombineerd met het geluid van een instrument. Bijvoorbeeld het water geven aan de bloem. De leerkracht gaat voor de klas staan en vraagt een kind om met het instrument geluid te maken bij een handeling.

Denk hierbij aan:

  • Zwaaien
  • Lopen
  • Krabben
  • Met je billen schudden
  • Bukken
  • Schrijven

Als dit lukt kan je ook vragen aan een kind om een beweging te bedenken waar de rest dan een geluid bij moet maken.

Tip: Begin langzaam met bewegen en ga steeds een beetje sneller. Het is namelijk het leukste als de beweging en het geluid echt tegelijk gaan.

Naast een muziekinstrument maken met de groep, kunnen de kinderen ook hun eigen Party Popper maken. Net als in de voorstelling hebben ze dan hun eigen plaaginstrument. Dat doe je als volgt:

WAT HEB JE NODIG?

  • Wc-rollen
  • Ballonen
  • Schaar
  • Tape
  • Confetti
  • Stiften, potloden, verf of iets anders waarmee de party Popper versierd kan worden.

AAN DE SLAG

  1. Zoek een wc-rol.
  2. Pak een ballon en knip er het bovenste stukje van af.
  3. Schuif de ballon over de wc-rol.
  4. Plak de ballon goed vast met tape.
  5. Maak een knoopje in de ballon.
  6. Versier de Party Popper.
  7. Vul de Party Popper met confetti (een beetje is genoeg)
  8. (Deze laatste stap mag je bewaren voor de volgende opdracht) Trek aan het knoopje en … KNAL!

PLAGEN MAAR

In de voorstelling wordt de Party Popper gebruikt om iemand te laten schrikken. Daar is de Party Popper ook een heel geschikt ding voor. In de klas gaan jullie de Party Poppers gebruiken om iemand mee te laten schrikken.

Verdeel de klas in duo’s. Ieder duo speelt een korte scène, waarin iemand klaar gaat staan/zitten/ liggen met de Party Popper en de ander die komt aanlopen, wordt geplaagd met de Party Popper. Laat kinderen steeds een andere plaats kiezen om zich te verstoppen met de Party Popper. Het is het leukste als het kind dat wordt geplaagd lekker overdreven kan schrikken. Probeer dat eens uit met ze.

Laat om de beurt een duo presenteren voor de klas, gebruik muziek uit de voorstelling als achtergrondmuziek bij de scènes. De rest van de klas is het publiek.

TIP: Stel dat het onhandig is om rommel in je lokaal te hebben, dan kan je de kinderen ook laten doen alsof de Party Popper afgaat. Laat de kinderen dan zelf een geluid bedenken die hun Party Popper maakt.

In de voorstelling hebben beide personages een heel verschillend huis. De een heeft een driehoekig huis en de ander een cirkelvormig huis. Deze huisjes zijn niet alleen verschillend van vorm, maar ze hebben ook een heel andere inrichting.

WAT HEB JE NODIG?

Blokken of lego.

VOORBEREIDING

Verzamel bouwmaterialen voor de kinderen (lego, blokken etc.)

AAN DE SLAG

Praat met de kinderen over de huisjes in de voorstelling. Wat voor vorm hadden die? Wat voor spulletjes stonden erin? Welk figuur woonde in welk huisje?

Laat de kinderen daarna zelf een driehoekig of rond huis bouwen. Lukt dat alleen of hebben ze misschien wat hulp nodig van anderen? Ontdek met de leerlingen hoe de verschillende huizen er uit zien. Is het ene driehoekhuis hetzelfde als een ander en waarom heeft een kind gekozen om het huis op deze manier te maken?

INRICHTEN

Als het huis staat kan je aan kinderen vragen wat voor spullen er in het huis moeten staan. Misschien liggen er spulletjes in het klaslokaal die ze kunnen gebruiken voor de inrichting?

Probeer met elkaar het huis zo mooi mogelijk af te maken en in te richten.

Als de huizen klaar zijn kan je de kinderen laten uitleggen waarom ze bepaalde dingen in hun huis hebben gezet. Hebben ze bijvoorbeeld voor spullen van één kleur gekozen of hebben ze hem vol gezet met dieren?

VARIATIETIP

Je kan ook cirkels en driehoeken uitknippen en leerlingen die laten versieren alsof ze de voorkant van hun eigen huis ontwerpen.

Elke dag sta je op en ga je weer naar bed. In de voorstelling hebben de figuren een eigen dagritme. De een gaat zich wassen en de ander gaat haar planten water geven. In deze opdracht ga je met leerlingen een dagritme uitbeelden.

Kijk met de kinderen de video over het dagritme uit de voorstelling. Deze video vind je onderaan de pagina.

Wat voor dingen herkennen de kinderen uit het filmpje?

  • De leerlingen mogen een plek zoeken in de ruimte, als ze maar met het gezicht naar de leerkracht staan. Een andere optie is om elke leerling in een hoepel te laten staan, alsof ze hun eigen huisje hebben.
  • Laat leerlingen stapsgewijs met aanwijzing van jou een handeling uitbeelden. Hiervoor kan het onderstaande lijstje als inspiratie dienen. Natuurlijk is het ook leuk om met de leerlingen zelf activiteiten te bedenken die op een dag gedaan kunnen worden.
  • Als het uitbeelden goed gaat kan je de leerlingen ook de handeling laten uitbeelden op dezelfde manier als de figuren. Bijvoorbeeld het figuur met de driehoek beweegt hoekig, terwijl het figuur met de cirkel juist rond en vloeiend beweegt. Hoe ziet een handeling er dan uit?
  • Als extra toevoeging: de leerlingen mogen geluiden gebruiken, beperk deze geluiden tot enkel het woord Oi of Ni net als in de voorstelling.
  • De helft van de groep kan geluid maken met hun muziekinstrument bij het dagritme dat de andere helft van de groep uitbeeldt.
  • Het is ook leuk om leerlingen naar elkaar te laten kijken bij deze oefening. Zet daarvoor bijvoorbeeld een muziekfragment uit de voorstelling aan (deze vind je onder dit blok) en laat de kinderen een eigen mini-voorstelling spelen voor hun klasgenoten met op het eind een echt applaus voor de acteurs.

Mogelijke handelingen

  1. De zon op laten komen
  2. Vogeltjes maken met elkaar
  3. Tandenpoetsen
  4. Yoga
  5. Zwaaien naar de buurman/ buurvrouw
  6. Plantjes water geven
  7. Theedrinken
  8. Krantje lezen
  9. Moe worden, gapen
  10. Zon laten zakken
  11. Slapen

EXTRA: Laat kinderen hun eigen ritueel bedenken. Wat doen zij als ze in de ochtend wakker worden of wat zouden ze willen doen als ze ’s ochtends uit bed komen?

Extra materiaal

Hier vind je de muziekfragmenten en video die je kan gebruiken tijdens het uitvoeren van de opdrachten hierboven.